Jannie Rexwinkel vrijwilliger van VPTZ Hengelo-Keijenborg verteld

Jannie Rexwinkel - van den Berg uit Keijenborg. Getrouwd met Bernard, drie kinderen en vier kleinkinderen. Medemaat varkenshouderij en gastouder kinderopvang.

Waarom ben je vrijwilliger? Wil je dat opschrijven? Niet eenvoudig om daar de goede woorden voor te vinden. Sinds 1992 ben ik vrijwilliger voor de Hulpdienst Hengelo Keijenborg, omdat ik gevraagd werd. In het begin was dat meerijden naar het ziekenhuis of een boodschap doen met ouderen.

In 1993 heb ik de cursus ‘Omgaan met dementie’ gevolgd. Voordat er iets georganiseerd wasbinnen de hulpdienst ging ik in 1994 op pad en bezocht een bejaarde dementerende om de mantelzorger te ontlasten en de ruimte te geven een dagdeel per week iets voor zichzelf te gaan doen. Op dat moment was er nog geen ervaring in de groep en heb ik zelf ook de intake gedaan. De eerste reactie die ik kreeg was, dat er een ouder iemand verwacht werd; ik was toen 37. Ik weet dat ik gezegd heb dat ik wel een oudere vrijwilliger voor haar kon regelen. Dat was niet nodig en het klikte goed tussen ons.

In 1995 werd de bezoekersgroep opgericht (BOSO), waarbij ik betrokken werd vanwege mijn ervaring en zodoende draaide ik mee in de groep. In 2000 werd de VPTZ opgericht. Op dat moment was ik erg druk in ons varkensbedrijf, als gastouder kinderopvang en in de politiek als gemeenteraadslid. Ik had geen tijd om de cursus te volgen. Vanaf de zijlijn heb ik de groep gevolgd en de themabijeenkomsten bezocht zo vaak ik kon.

In 2007 werd mij gevraagd of ik bij een terminale patiënt in de buurt op bezoek wilde gaan, omdat er veel hulp nodig was, ook overdag. Dit heb ik gedaan en ik vond het fijn om te doen. Het heeft tien weken geduurd en ik ging elke week een ochtend. Op dat moment heb ik aangegeven dat ik de cursus een keer wilde volgen, omdat ik het gevoel had dat ik met wat meer ondergrond, wat beter mijn ding zou kunnen doen. Het kwam er telkens niet van, omdat de cursussen gegeven werden op een tijdstip dat ik niet kon.

In 2008 overleed mijn moeder aan de gevolgen van een hersenbloeding. Zij heeft vijf dagen in coma in het ziekenhuis gelegen. Samen met mijn broers en zussen hebben we die dagen gewaakt. In die dagen raakte ik vertrouwd met de dood. Ik had respect voor de verpleging die zo goed en respectvol zorgde voor mijn moeder en ons een luisterend oor bood. Toen mijn moeder overleden was heb ik besloten de cursus te gaan doen om ook terminale patiënten en hun familie te kunnen begeleiden.

In 2009 heb ik de cursus gevolgd met een stukje rouwverwerking. Daardoor heb ik mijn eigen verdriet om mijn moeders overlijden, maar ook de dood van mijn vader zeven jaar daarvoor, goed kunnen verwerken. De confrontatie met jezelf en je eigen last erkennen is belangrijk om andere mensen te kunnen helpen. De ervaringen met mensen in de laatste levensfase zijn elke keer anders en bijzonder. Ik heb zelfs een mevrouw meegemaakt die overleed in mijn bijzijn. Dat was wel een hele bijzondere afsluiting van een inzet. 

Het gaat vaak om mensen in mijn dorp en ik kom de nabestaanden nadien regelmatig tegen. Wat ik dan veel te horen krijg is: “Ik wist niet dat je dit werk doet”. Op het moment van ontmoeting is er vaak nog een verhaal over hoe het verder is gegaan. De dood bespreekbaar maken is niet eenvoudig, maar het is dankbaar werk en het verruimt mijn kijk op het leven. Aan het bed zitten en er zijn, geeft mij energie en daarom ben ik vrijwilliger.